Vrijdag 6 juni
Vandaag om 7:30 wakker geworden in een op het eerste gezicht vreemde omgeving. Wilma heeft bij een bakker in de buurt een paar croissantjes gehaald. Dat soort Italiaans ontbijt is eigenlijk best te doen. Intussen heb ik geconstateerd dat de pijn minder was en het lopen beter ging. Dus zijn we , in plaatst van gestrompeld, vandaag geslenterd naar het Museo del Violine. Want Cremona is DE stad van de vioolbouw. Hier werkten de Amati’s, de Guarneri’s en de meest beroemde: Antonio Stradivari, (1644-1737). Nu ik weet dat Cremona aan de Po ligt in een plat landschap, waarvan de huizen het enige verschil maken met een gemiddeld Nederlands landschap, vraag ik mij af waarom juist in Cremona de vioolbouw tot grote bloei is gekomen. De andere bekende plaatsen, waar vioolbouw op grotere schaal aanwezig was / is, liggen allemaal tegen hoge gebergten aan, dicht bij de bron van het hout van het bovenblad van een viool, Fichte of fijnspar. Juist op die plaatsen is het klimaat dusdanig dat naaldbomen langzaam groeien, hetgeen hout oplevert met dicht op elkaar gelegen jaarringen. Deze kwaliteit levert de beste klank voor strijkinstrumenten, gitaren, luiten, klavecimbels en piano’s. Beroemd zijn in Oostenrijk Absam (Hall) in Tirol en Mittenwald in Beieren. Ik ga het uitzoeken. In Cremona vind je natuurlijk veel ateliers, waar violen gebouwd worden. Het museum heeft een grote collectie strijkinstrumenten van elk soort, die allemaal in Cremona in de loop der eeuwen gebouwd zijn. Ook een aantal van Stradivari. Deze, zeer oud geworden, bouwer heeft meer dan duizend instrumenten van hoge kwaliteit gebouwd, waarvan ongeveer de helft nog bestaat. Hiervan zijn er weinig nog in originele staat, omdat in de 19e eeuw violen verbouwd werden om een groter volume te verkrijgen. Het museum is zeer de moeite waard, alleen al vanwege de filmpjes waarin je ziet hoe zo’n instrument tot stand komt, met gebruik van eeuwenoude ambachtelijke methoden. Daarna hebben we een stevige en warme lunch genoten om vervolgens weer terug te lopen na het bezoeken van de Duomo. De Cremonezen vinden hun dom de “Sixtijnse Kapel van de Po vallei”, vanwege de fraaie fresco’s. Wij zijn het daar niet zo mee eens. Het is mooi maar heeft niet de verbeeldingskracht van Michelangelo. Het is een stevig gebouw met een klokkentoren van 112,5 meter hoog (een halve meter hoger dan de domtoren in Utrecht). Merkwaardig is dat het transept langer is dan het schip. In het hotel een beetje uitgerust en om een uur of zes teruggelopen naar de stad voor een drankje om afscheid te nemen van deze gezellige stad. Morgen gaan we naar de camping in het zuiden van Toscane, weg van de herrie in de stad, opvallend ook veroorzaakt door troepen rondvliegende gierzwaluwen. Een totaal andere wereld. We laten zo nu en dan weten hoe dat weer is.
